Prinsjesdag 2025

 

Prinsjesdag 2025

Dit artikel verscheen eerder in onze HBK nieuwsbrief

Afgelopen dinsdag heeft het demissionaire kabinet Schoof haar tweede en laatste begrotingsplan gepresenteerd. Zoals te verwachten viel is het een beleidsarm belastingplan geworden. Veel voorspelbare veranderingen, weinig interessante en/of vernieuwende maatregelen.

Wat zijn nu de gevolgen voor u in privé en zakelijk? Net als ieder jaar presenteren wij u graag de belangrijkste punten van het Belastingplan.

Heeft u na het lezen nog vragen of wilt u weten wat voor u de beste strategie is? Zoals altijd zijn wij u graag van dienst.

Inkomstenbelasting

Aanpassing tarief box 1 en derde schijf jonger dan de AOW-leeftijd
Het belastingtarief in de eerste schijf wordt met ingang van 2026 verlaagd naar 35,70% (2025: 35,82%). Dit geldt voor inkomens tot € 38.883.

Het belastingtarief voor inkomens in de tweede schijf vanaf € 38.883 tot € 41.123 bedraagt vanaf 2026 37,56 % (2025: 36,97%).

Sinds vorig jaar is er ook (weer) een derde schijf; inkomens vanaf € 79.137 blijven een tarief van 49,50% betalen.

De bovengenoemde tarieven zijn inclusief de premie volksverzekeringen.

Aanpassing tariefschijf AOW-gerechtigden geboren vanaf 1946 en vóór 1946 vanaf 2026
Grens schijf 1 – 17,80 % inkomens tot € 38.883 (geboren vanaf 1946)
Grens schijf 1 – 17,80 % inkomens tot € 41.123 (geboren vóór 1946)
Grens schijf 2 – 37,56 % inkomens tot € 79.137
Grens schijf 3 – 49,50% inkomens vanaf € 79.137

Aanpassing (belangrijkste) heffingskortingen

Algemene heffingskorting
De algemene heffingskorting geldt voor iedere belastingplichtige. De korting op het verschuldigde bedrag aan inkomstenbelasting bedraagt maximaal € 3.115 (2025: € 3.068) bij een inkomen uit werk en woning tot € 29.736 (2025: € 28.406). Boven dit inkomen wordt de korting afgebouwd tot nihil. De afbouw is sinds 2023 afhankelijk van het verzamelinkomen (box 1, box 2 en box 3) en niet meer alleen op basis van het inkomen uit werk en woning (box 1).

Arbeidskorting
In 2026 bedraagt de maximale arbeidskorting € 5.712 (2025: € 5.599). Vanaf een arbeidsinkomen van € 45.593 (2025: € 43.071) wordt de arbeidskorting met 6,51% afgebouwd tot nihil.

(Alleenstaande) ouderenkorting
Ook deze kortingen worden iets verhoogd. De maximum ouderenkorting wordt € 2.067 (2025: € 2.035) en de alleenstaande ouderenkorting wordt € 540 (2025: € 531). De ouderenkorting wordt vanaf een verzamelinkomen van € 46.002 (2025: € 45.308) met 15% afgebouwd tot nihil.

Inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK)
Deze heffingskorting is bedoeld om werken voor alleenstaanden en minstverdienende partners met kinderen tot 12 jaar aantrekkelijker te maken. De IACK bedraagt maximaal   3.032 (2025: € 2.986).

Vanaf 2027 zal deze heffingskorting worden afgebouwd tot nihil in 2035.

Ondernemers: ondernemersfaciliteiten
In 2026 blijft de MKB-winstvrijstelling gelijk op 12,7%. Met deze vrijstelling kunnen belastingplichtige IB-ondernemers het bedrag aan belastbare winst verlagen waardoor zij minder inkomstenbelasting zijn verschuldigd. Wel wordt het belastingvoordeel voor ondernemers in de inkomstenbelasting stapsgewijs verder afgebouwd. In 2026 bedraagt de zelfstandigenaftrek € 1.200 (2025: € 2.470). De bedoeling is de zelfstandigenaftrek in 2027 is teruggebracht tot € 900.

De aanvullende zelfstandigenaftrek voor startende ondernemers blijft ongewijzigd op € 2.123.

In 2026 zullen er geen wijzigingen plaatsvinden ten aanzien van de percentage en schijven voor de WBSO en innovatiebox. Voor de innovatiebox betekent dit dat het effectieve innovatieboxpercentage 9% blijft.

Tarief box 2 blijft gelijk aan 2025
Vanaf 2024 bestaat het belastingtarief in box 2 voor inkomsten uit aanmerkelijk belang uit twee schijven. Het tarief voor 2026 zal ongewijzigd blijven. Met ingang van 2026 zijn de schijven wel geïndexeerd en betaalt u over de eerste € 68.843 (fiscaal partners € 137.686) een tarief van 24,5% en een tarief van 31% voor het meerdere.

Maatregelen lucratief belang
Het kabinet komt tegemoet aan de wens vanuit de politiek om de voordelen uit een middellijk gehouden lucratief belang (via de eigen B.V.) zwaarder te belasten in box 2. In het wetsvoorstel wordt de belastingdruk op deze voordelen via een vermenigvuldigingsfactor op inkomen uit box 2 uit middellijk gehouden lucratief belang verhoogd.  Hierdoor stijgt het belastingtarief in box 2 van 24,5% naar 28,45% in de eerste schijf en in de tweede schijf naar 36%. Deze maatregel geldt voor beloningsstructuren voor verrichte management- of private equity-diensten door managers waarbij de beloning niet in verhouding staat tot hun inbreng.

Belastingtarief in box 3 blijft ongewijzigd
In het Belastingplan 2026 is vastgelegd dat het huidige box 3-tarief van 36% ook in 2026 van toepassing blijft. Wel gaat het bedrag aan heffingsvrij vermogen flink omlaag van € 57.684 naar € 51.396 in 2026.

Aanpassing forfaitaire percentages in box 3
De verwachting is dat vanaf 1 januari 2028 er een nieuw belastingstelsel voor belastingheffing over vermogen in werking zal treden. De bedoeling is dan dat het werkelijk rendement op het vermogen wordt belast.

Tot die tijd vindt belastingheffing nog steeds plaats op grond van een forfaitair behaald rendement. Wanneer het werkelijk rendement lager is dan het forfaitaire rendement dan kan een belastingplichtige een beroep op de tegenbewijsregeling doen.

Voor 2026 heeft het kabinet een forse verhoging van het forfaitaire rendement naar 7,78% (2025: 5,88%) voor alle bezittingen in de categorie overige bezittingen voorgesteld.

De forfaitaire rendementspercentages voor de categorie bank- en spaarrekeningen en schulden worden pas in de loop van 2026 bekend gemaakt.

Verlaging vrijstelling groen beleggingen in 2027
Op dit moment wordt het groen beleggen door particulieren gestimuleerd via een vrijstelling in box 3 en een extra heffingskorting op het vrijgestelde deel van de groen beleggingen in bepaald aangewezen groenfondsen.

In eerder aangenomen amendementen zijn de vrijstellingen en heffingskortingen per 1 januari 2025 verlaagd en was het voornemen om de heffingskorting per 1 januari 2027 helemaal te laten vervallen. Deze aanpassingen waren technisch niet uitvoerbaar. Het kabinet stelt daarom voor om de afschaffing van de heffingskorting en de vrijstelling pas per 1 januari 2028 te laten vervallen. Wel stelt het kabinet voor om een bedrag van € 200 (voor partners € 400) per 1 januari 2027 vrij te stellen. De heffingskorting voor deze groen beleggingen zal in 2027 0,1% blijven.

Uitsluiting toepassing leegwaarderatio in box 3 bij te lage huur
In box 3 en de schenk- en erfbelasting wordt de waarde van een woning bepaald op basis van de WOZ-waarde. Deze waarde is vastgesteld op basis van de waarde in vrij opleverbare staat. Omdat verhuur invloed kan hebben op de waarde, wordt bij verhuurde woningen met huurbescherming de leegwaarderatio toegepast. Deze leegwaarderatio wordt bepaald aan de hand van de verhouding tussen de jaarlijkse huurprijs en de WOZ-waarde.

Het kabinet stelt nu voor om gelieerde partijen, zoals ouders en kinderen, die een te lage huurprijs hanteren, uit te sluiten van de toepassing van de leegwaarderatio in box 3 en voor de schenk- en erfbelasting. Hiermee wordt misbruik van de regeling voorkomen.

Geen inhoudelijke wijzigingen met betrekking tot excessief lenen
Een aanmerkelijk-belanghouder (een aandeelhouder met een belang van minimaal 5%) kan geld lenen van zijn of haar vennootschap. Indien het geleende bedrag hoger is dan een vastgesteld drempelbedrag, dan wordt het meerdere belast als inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2). Onder voorwaarden zijn eigenwoningschulden uitgezonderd.

Voor 2026 heeft het kabinet voorgesteld om de regeling intact te houden. Wanneer de lening aan het einde van het jaar meer dan € 500.000 bedraagt, dan wordt het meerdere belast tegen het toepasselijke aanmerkelijkbelangtarief.

Loonbelasting

Vrije ruimte werkkostenregeling (WKR)
Het percentage van de eerste schijf van de vrije ruimte in de WKR blijft voor 2026 gelijk aan 2025: 2%. Vanaf 2027 wordt de ruimte in de eerste schijf verhoogd naar 2,16%. Dit geeft werkgevers, met name die in het mkb, meer fiscale ruimte om aantrekkelijkere arbeidsvoorwaarden aan te bieden. Dankzij de uitbreiding van de vrije ruimte kunnen werkgevers bijvoorbeeld eenvoudiger duurzame arbeidsvoorwaarden, sportabonnementen of extra thuiswerkvergoedingen vergoeden.

Versobering extraterritoriale kostenregeling
Werkgevers kunnen werknemers die tijdelijk buiten hun land van herkomst verblijven onbelast vergoeden voor de extra kosten die dit met zich meebrengt. Hiervoor bestaan twee regelingen: de zogenoemde “30%-regeling”, en de regeling op basis van de daadwerkelijke extraterritoriale kosten (ETK-regeling).

Voorgesteld is om de ETK-regeling per 2026 te versoberen. De extra kosten van levensonderhoud, waaronder gas, water, licht en andere nutsvoorzieningen, en de extra gesprekskosten (telefoonkosten) voor privédoeleinden met het land van herkomst kunnen vanaf dat moment niet langer onbelast worden vergoed.

Geen verdere versobering van de 30%-regeling
Het kabinet kiest er voor geen verdere versoberingen met betrekking tot de expatregeling (30%-regeling) door te voeren, behalve de eerder aangekondigde verlaging van het maximale percentage van 30% naar 27% per 1 januari 2027.

Het kabinet handhaaft daarmee de 30%-regeling voor inkomende werknemers die aan de voorwaarden voldoen. Bij toekenning mag de werkgever maximaal 30% van het in Nederland belastbare brutoloon onbelast vergoeden voor een periode van maximaal vijf jaar.

De expatregeling wordt gezien als een belangrijk instrument voor Nederlandse werkgevers om internationaal talent aan te trekken en versterkt daarmee het vestigingsklimaat in Nederland.

Jaarlijkse aanpassing salarisplafond
Sinds 1 januari 2024 is de 30%-vergoeding in de expatregeling gemaximeerd en wordt deze berekend als 30% van de WNT-norm (Wet Normering Topinkomens). Dit salarisplafond is van belang voor alle werknemers die gebruikmaken van de regeling, ook buiten de (semi-)publieke sector. Voor 2025 bedraagt de WNT-norm € 246.000 en voor 2026 is deze vastgesteld op € 262.000. De maximale 30%-vergoeding in 2026 komt daarmee op € 78.600 per jaar. Voor werknemers die de regeling al toepasten vóór 1 januari 2022 geldt een overgangsrecht; tot en met 2025 was voor hen geen salarisplafond van toepassing. Vanaf 2026 geldt het plafond echter voor alle werknemers.

Strafheffing auto van de zaak
Vanaf 1 januari 2027 wordt een extra heffing ingevoerd voor alle nieuwe personenauto’s op fossiele brandstof die voor privégebruik aan werknemers ter beschikking worden gesteld.

Deze strafheffing bedraagt 12% van de waarde van de auto, gebaseerd op de cataloguswaarde, tenzij de auto ouder is dan 25 jaar; dan geldt de waarde in het economisch verkeer. De heffing komt boven op de reguliere bijtelling en is volledig voor rekening van de werkgever, waardoor dit een extra kostenpost vormt die niet op de werknemer kan worden verhaald.

De regeling geldt voor alle personenauto’s op fossiele brandstof, inclusief hybride voertuigen, die voor privédoeleinden ter beschikking staan. Alleen volledig emissievrije auto’s zijn uitgezonderd. Het maakt niet uit of de auto via een externe aanbieder, lease of huur beschikbaar wordt gesteld. Vreemd genoeg wordt woon-werkverkeer in dit kader als privégebruik aangemerkt, wat afwijkt van de reguliere loonbelastingregels.

Voor bestaande voertuigen geldt overgangsrecht. Auto’s die vóór 1 januari 2027 zijn verstrekt, zijn vrijgesteld tot 17 september 2030. Wordt een auto op of na 1 januari 2027 voor het eerst ter beschikking gesteld, dan geldt de strafheffing direct. Deze overgangsperiode houdt rekening met lopende leasecontracten van doorgaans vier tot vijf jaar. Vanaf 17 september 2030 geldt de heffing voor alle personenauto’s op fossiele brandstof die voor privégebruik worden ter beschikking gesteld, ongeacht het moment van verstrekking.

De strafheffing wordt proportioneel toegepast; als de auto slechts een deel van het kalenderjaar ter beschikking staat, geldt de heffing naar rato. Voor een deel van een maand wordt de hele maand als ter beschikking gesteld gerekend. De regeling is niet van toepassing op bestel- en vrachtauto’s.

Bijtelling nieuwe elektrische auto van de zaak
Vanaf 2026 geldt voor nieuwe elektrische auto’s hetzelfde bijtellingspercentage als voor nieuwe niet-elektrische auto’s, namelijk 22% van de cataloguswaarde. In de afgelopen jaren is de bijtelling voor elektrische auto’s stapsgewijs verhoogd.

De standaardbijtelling van minimaal 22% geldt echter niet voor elektrische auto’s met geïntegreerde zonnepanelen en voor auto’s die rijden op waterstof.

Verduidelijking fietsregeling
Als een werkgever een fiets ter beschikking stelt aan een werknemer en die fiets wordt ook voor privédoeleinden of voor woon-werkverkeer gebruikt, dan wordt voor de loonheffingen een voordeel in aanmerking genomen (bijtelling) van 7% op jaarbasis.

Het kabinet stelt voor om de bijtellingsregeling voor de ter beschikking gestelde fiets aan te passen. In het wetsvoorstel wordt nu expliciet geregeld dat als een (deel)fiets niet of slechts incidenteel (minder dan 10%) bij het woon- of verblijfadres van de werknemer wordt gestald, een bijtelling van nihil geldt. Dit betekent dat over het gebruik van deze fiets geen loon- en inkomstenbelasting verschuldigd is. Bijtelling hoeft dus niet meer plaats te vinden als de fiets slecht incidenteel mee naar huis wordt genomen. Deze regeling heeft terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2020.

BTW

BTW-verhoging op cultuur, sport en media afgeschaft
Volgens het Belastingplan 2025 zou het verlaagde btw-tarief van 9% op deze sectoren en op hotels per 1 januari 2026 komen te vervallen. Het verlaagde BTW-tarief op cultuur, media en sport blijft ook na 1 januari 2026 9%. De eerder aangekondigde verhoging van het BTW-tarief voor logies blijft helaas kracht. Vanaf 1 januari 2026 geldt voor het verstrekken van logies het algemene btw-tarief van 21%. Deze verhoging geldt onder anderen voor het verstrekken van logies, waaronder hotels, vakantieparken, verhuur via platforms, pensions, gemeubileerde vakantiewoningen en stacaravans en glamping. Het 9%-tarief blijft alleen van toepassing voor kamperen waarbij de huurder zijn eigen tent, camper of caravan meeneemt.

Vennootschapsbelasting

Tarieven VPB blijven gelijk in 2026
In 2026 zijn er geen wijzigingen voorgesteld in de tarieven en tariefschijven in de vennootschapsbelasting (Vpb). Net zoals in 2024 en in 2025 blijft het lage Vpb-tarief van 19% gelden voor de eerste schijf bij een belastbare winst van € 200.000. Daarboven blijft het tarief 25,8%.

Overdrachtsbelasting

Verlaging tarief overdrachtsbelasting naar 8%
Het kabinet heeft eerder al in een wetsvoorstel vastgelegd dat vanaf 2026 het tarief van de overdrachtsbelasting voor woningen, die niet als hoofdverblijf, dienen te verlagen naar 8%. Dit betreft bijvoorbeeld vakantiewoningen of tweede woningen. Eerder dit jaar is er een amendement ingediend om het tarief verder te verlagen naar 6%. De stemming hierover is vooralsnog helaas uitgesteld.

Verruiming startersvrijstelling overdrachtsbelasting
Vanaf 2026 zal de startersvrijstelling in de overdrachtsbelasting worden verhoogd naar € 555.000 voor huizenkopers in de leeftijd tussen 18 en 35 jaar die voor het eerst een woning kopen om zelf in te wonen.

Schenk- en Erfbelasting

Aanpak ongelijke breukdelen bij een huwelijksgoederengemeenschap
Naar aanleiding van een arrest van de Hoge Raad stelt het kabinet voor om bij ontbinding van een huwelijksgoederengemeenschap waarin de verdeling van het vermogen afwijkt van 50-50, het deel dat een echtgenoot meer ontvangt dan de helft te belasten met erf- of schenkbelasting.

Hetzelfde zal ook gelden bij een finaal of periodiek verrekenbeding met een afwijkende verdeling dan 50-50. De maatregel geldt niet alleen voor huwelijken, maar ook voor geregistreerde partnerschappen en notariële samenlevingsovereenkomsten. Er is geen tegenbewijsregeling voorzien en er geldt een overgangsregeling tot 16 september 16:00 uur.

Ouder-kind tarief en vrijstelling ook van toepassing bij een biologische ouder
Naar aanleiding van een arrest van de Hoge Raad uit 2024 stelt het kabinet voor om biologische en juridische kinderen bij schenkingen en erfenissen gelijk te behandelen. Daardoor hebben voortaan ook biologische kinderen die niet in familierechtelijke betrekking tot hun biologische ouder staan voor toepassing van de schenk- en erfbelasting recht op de kindvrijstelling en het lagere schenkbelasting- en erfbelastingtarief. Het biologische kind moet zelf het bestaan van het biologische ouderschap aantonen door middel van een DNA-test.

Verlenging aangiftetermijn erfbelasting
De aangiftetermijn voor erfbelasting wordt verlengd van acht naar twintig maanden na het overlijden. Tegelijk wordt het aanvangstijdstip voor het berekenen van de erfbelastingrente verschoven naar twintig maanden na het overlijden. De huidige termijn van acht maanden blijkt voor veel burgers te kort om een volledige en correcte aangifte te doen. Wordt de aangifte na die termijn ingediend dan is er belastingrente verschuldigd. Dit geldt ook wanneer uitstel is verleend.

Hoofdkantoor

Hoofdstraat 2
2351 AJ Leiderdorp

bel ons

071-5422720